Verslag dr S. van Griethuizen (d.d. 06-03-1946)
Verslag van dr S van Griethuysen, arts in Gendringen (6 maart 1946)
Ondergeteekende, van Griethuysen Simon, geboren 12 juni ’12 te Den Helder, Arts, wonende Gendringen 27, verklaart dat hij, op 17 Jan. ’45, voor het eerst, de ziekenbarak te Empel, van het Auslanderlager, Groin Bauabschnitt Röhrig, buiten medeweten, van de kampleiding bezocht heeft. In een ruimte hoogstens geschikt voor 60 personen, lagen op die datum pl.m 150 patiënten, waaronder verschillende stervenden. Er heerschte een verregaande staat van verluizing en vervuiling, door gebrek aan de meest elementaire verplegings- artikelen en ontsmettingsmiddelen.Medische hulp was in onvoldoende mate aanwezig en wat er was, kon niets doen, door gebrek aan genees- en verbandmiddelen en instrumentarium. Wat er aan geneesmiddelen en instrumentarium aanwezig was, was beschikbaar gesteld door Hollandsche artsen in de Achterhoek.De verpleging had plaats door ondeskundig, hoewel goedwillend personeel, Hollanders met E.H.B.O., de Sanitaters.Het stroo waarop verpleging plaatsvond, was sinds de inrichting van de barak, Dec. 1944, niet ververscht, hoewel het regelmatig bevuild werd door dysenterie lijders. Bij bezoek op 19 Jan. ’45 was toestand nog verergerd. Dagelijks stierven
Afgekeurd en vertrokken voor 15 jan. ,, ,, 300
Door mij afgevoerd ,, ,, 450
Op dit tijdstip nog in Duitschland verpleegd ,, ,, 150
Totaal 1000
Van 3000 tevoren vrijwel allemaal gezonden mannen, waren na 2 maanden dus 1/3 dood, voor het leven verminkt of zeer ernstig ziek. En dit was geen concentratiekamp met politieken gevangenen, maar een normaal O.T. kamp, waar de Hollanders, die bij razzia’s waren opgepakt, reeds op ontoelaatbare wijze, naar toe waren gevoerd. De leiding van dit kamp, besefte zelf de ontzettend slechte toestanden. Bij het vertrek van een ziekentransport, hield de kampleider Heinze, een toespraak waarin hij o.a. zei: “Als jullie straks in Holland komt, vertel dan niets over hier, omdat anders de familieleden van de achtergeblevenen al te ongerust zouden worden.” In de kampen in de naaste omgeving, waren de toestanden veel en veel beter. Het was dus anders mogelijk geweest. Dankzij ingrijpen tegen de zin, van de leiding, is hier een catastrophe voorkomen, daar er anders nog veel en veel meer slachtoffers gevallen zouden zijn. Als hoofdschuldige wil ik, naast de gewonen kampleiding, aanwijzen Dr Brunner, die op schandelijke wijze zijn medische plicht verzaakt heeft. Hij hield elke afvoer zooveel mogelijk tegen. Patiënten met ziekten van Beynand en chron. rheuma en anderen ten eenemale absoluut ongeschikt om te arbeiden, werden door hem geschikt verklaard. Een patiënt met hersenschudding, moest loopend naar Dr Brunner komen, omdat deze natuurlijk niet bij de patiënten in het vervuilde en verluiste stroo kwam.De Duitsche artsen durfden niets voor te stellen, uit angst voor overplaatsing op last van Dr Brunner. Bij een afkeuringsseance van Dr Brunner, die ik bijwoonde, werden ruim 40 voorgestelde patiënten, volgens mijn meening, stuk voor stuk ABSOLUUT ONGESCHIKT VOOR EENIG WERK, er slechts 20 afgekeurd.Dr Brunner, lid van het Bergungscommando Arnheim en als zoodanig speciaal belast met de plundering van apotheken en huizen van artsen, had dus alle gelegenheid om voldoende instrumentarium, verband- en geneesmiddelen, beschikbaar te stellen. Hij heeft deze zaken echter niet voor het kamp beschikbaar gesteld.De patiënten die door hem afgekeurd werden, waren dikwijls in dusdanig slechte conditie, dat vervoer niet meer mogelijk was, en menigmaal tijdens het transport of kort na aankomst, in het ziekenhuis in Holland, overleden. Herhaaldelijk moest hier tot amputatie besloten worden, wegens ernstig verwaarloosde wonden en in vele gevallen van zeer ernstige bevriezing met bijkomende infectie, door gebrek aan deskundige hulp, tijdens het verblijf in het kamp. Melden op het ziekentransport, werd door de kampleiding tegengewerkt, zoodat ik, verschillende gevallen gezien heb van menschen, die s’morgens nog naar het werk GEDREVEN werden, daar in elkaar zakten en s’avonds reeds dood waren.Geestelijke bijstand was voor mijn komst verboden. Door ons toedoen, is dit later toegestaan. Ds. Krooneman, uit Westervoort en Pater Willens uit Haaksbergen, hebben dit verricht en un hun functie regelmatig het kamp bezocht.
Gendringen ; 6 maart 1946.
Bron; Nationaal Archief









Laat een reactie achter.