Kamp Rees
In Rees, bij het buurtschap Groin, stond een oude dakpannenfabriek. Dat was nabij de Empelerstrasse en de Groiner Allee. Het terrein werd begrensd door een meertje, moerasgebied en bosschage’s aan de achterzijde en een tramlijn aan de voorzijde. In de oorlog werd de dakpannenfabriek een Lager. De weg erheen werd afgesloten met een slagboom, die bewaakt werd door een schildwacht. Rondom het kamp liepen bewakers (SA-mannen) en die probeerden ontsnappingen tegen te gaan. In het kamp was het een grote modderboel. Houten vlonders moesten er voor zorgen dat je niet wegzakte.
De fabriek stamde uit 1850. De familie Boers was de eigenaar. Zij hadden de dakpannenfabriek overgenomen van de familie Wolf. Het juiste adres van het kamp was; Groin 15-3 te Rees.
De mannen die naar Rees moesten, kwamen in de ‘hel’ terecht. Er was geen sanitair; er was slechts één slecht werkende pomp en er was geen licht. Het werd streng bewaakt en om tegen de bevolking zou zijn gezegd dat er in het kamp ‘terroristen’ zaten. Bedoeling was die mensen uit de buurt te houden en te voorkomen dat er hulp geboden werd, bij voorbeeld in de vorm van voedsel. Desondanks probeerde de bevolking de gevangen wel te helpen, door illegaal enkele manden met brood langs de weg te plaatsen. Als een gevangen er iets uit haalde kreeg hij slaag. Als een burger betrapt werd kon hij de kogel krijgen.
De fabriek bestond uit twee “dienstwoningen”, twee gemetselde ovens, met 10 schoorstenen in totaal, en drie lange droogloodsen. Verder stonden er o.a. op het terrein, een grote schuur en enkele bijgebouwen, waar gereedschap in lag opgeslagen. De wanden van de droogloodsen waren open en de daken zaten vol gaten. Op de grond lag niets anders dan klei. Later werd er stro op gelegd. In de dienstwoning aan de achterzijde van het kamp, die eigenlijk een soort boerderij was, woonde de familie M.Postulart. Nabij deze dienstwoning bevond zich een bunker. De gevangenen mochten daar tijdens veelvuldige beschietingen niet in.
Bij de ingang bij de tramlijn stond de andere “dienstwoning”. De tramlijn werd gebruikt voor de aan- en afvoer van staal, leem en turf. In een rechte lijn achter deze dienstwoning stond een schuur (blokhut), die gebruikt werd als broodhok en als strafplaats. De gemetselde ovens werden gebruikt voor het bakken van dakpannen.
De ovens waren verbonden met de droogloodsen. Die loodsen waren c.a 70 tot 75 meter lang en ca. 10 tot 14 meter breed. Droogloodsen is een groot woord, het waren eigenlijk drie pannendaken, rustend op 2 tot 4 meter hoge palen. Aan beide buitenzijden alsmede in het midden van zo’n loods waren houten droogrekken opgesteld. Op die droogrekken werden de uit leem gevormde dakpannen te drogen gelegd. Nadat ze droog waren gingen ze in de ovens.
Toen het kamp werd gebruikt voor dwangarbeiders is op het middenterrein een grote tent geplaatst, waarin hoofdzakelijk Haagse dwangarbeiders waren ondergebracht. Die werd de ‘circustent’ genoemd.
Achter de drie droogloodsen en de twee ovens bevond zich een drassig gebied en een meertje. Tussen het meertje en de droogloodsen werden (na 12 december 1944) de eerste latrines gemaakt, waarin men zijn behoefte moest doen. Later groef men nieuwe latrines. Het waren palen waarop men ging zitten, in de open lucht.
De vochtige onderkomens zorgden ervoor dat velen ziek werden. Men was meestal ook niet gekleed op een barre winter. Ook kwam veel bloeddiarree voor. Men besmeurde dan het ‘eigen nest’ en dat veroorzaakte veel besmetting
Het kamp in Rees stond niet te boek als Straflager, maar door de onmenselijke toestanden die er heersten had het er veel van weg. In het kamp bevonden zich mannen uit alle delen van Nederland, zoals o.a. Haarlem, Scheveningen, Den Haag, Leiden, Delft, Rotterdam, Twello, Arnhem en Apeldoorn. Maar er zaten ook gevangenen uit Rusland, Roemenië, Polen, Frankrijk en Italië. In de tijd dat het kamp bestond, van november 1944 tot 23 maart 1945, zijn er in totaal ongeveer 3500 mannen ondergebracht , waarvan naar schatting 780 tot 850 Apeldoorners. De dwangarbeiders kregen een persoonlijk nummer en werden in groepen van maximaal 50 man ingedeeld.
Zo slecht als het was gesteld met de huisvesting, nog slechter ging het met de verstrekking van kleding en voedsel. Men kreeg in het kamp vrijwel niets. In het begin had een aantal dwangarbeiders een deken gekregen, en daarmee was het uit met de vrijgevigheid. Dat was een ramp. Vele mannen waren volstrekt onverwachts bij de razzia’s op straat opgepakt en op transport gesteld. De kleding die men aanhad bood meestal geen weerstand tegen weer en wind, bescherming bij het slapen op de vette klei of de omstandigheden in de weilanden, waar men weer en wind moest trotseren tijdens de zware graafwerkzaamheden.
De mannen kregen na een slechte nachtrust en aangesloten een dag werken ’s avonds per man ongeveer driekwart liter zogenaamde aardappelsoep en twee stukjes Duitse Kuch.
Bij de aankomst van nieuwe groepen, moesten ze de aanwezige soep verder verdelen. Dat kon alleen maar door hem nog meer met water te verdunnen. Dus de porties werden kleiner en er zaten minder vitamines en voedsel in. Uiteindelijk kreeg men in feite niet meer dan een driekwart liter warm water, soms aangelengd met een koolblad. Hierdoor werden velen dwangarbeiders ernstig ziek.
Op 18 december 1944 kreeg het kamp de status van een ‘Lager’ met als officiële benaming ‘Ausländerlager Groine, Bauabschnitt Röhrig, Einheit Heinze’. In deze benaming zaten de namen van de kampleiders opgenomen.
Bij het minste of geringste vermoeden van ongehoorzaamheid werd door Rohrig of Heinze, of de onder hen staande leidinggevenden, de knuppel ter hand genomen en ranselden ze de arbeiders af.
Men keek niet of je ziek of ondervoed was. Er zijn zelfs mannen doodgeslagen, of ze werden zo hard geslagen dat ze aan hun verwondingen bezweken. Men sloeg de dwangarbeider met schopstelen.
Naast de kampleiding waren er ook een dertigtal ‘bewakers’; militanten van de nazi-partij, de SA-mannen, die in hun functie van Hundertschaftsführer en samen met de rechtstreeks onder hen staande Gruppenführers het toezicht hadden over de arbeidscolonnes die overal verspreid te werk waren gesteld.
Onder de Gruppenführers bevonden zich twintig mannen uit Nederland. Ze stonden onder leiding van de heer J. Krist, die later het boek ‘De hel van Rees’ heeft geschreven. Uit deze groep zocht men nog één man en die werd aangewezen als Unterführer. De Gruppenführers moesten opgeven wie er ziek was, vermist, achtergebleven of naar de dokter was gegaan.
De meeste Gruppenführers en Unterführers waren geen onmensen. Ze kozen voor deze baan omdat ze de mensen wilden helpen.
Voor de Apeldoorners was er slechts één lichtpuntje. Dat was het wekelijkse bezoek van een Rijksduitser (een officiële inwoner van Duitsland), de heer Eugen Hollaender. Hij was directeur van de scheermesjesfabriek aan de Deventerstraat, het huidige AMEFA. De fabriek had filialen aan de Loseweg in Apeldoorn, in Neede en in Bocholt. Daardoor had hij een vergunning om door Duitsland te reizen.
Men kon in Apeldoorn pakketten en brieven voor de dwangarbeiders afleveren bij zijn fabriek aan de Deventerstraat. Ze werden door de heer Hollaender en zijn privé-chauffeur Anton Gerritsen vervoerd naar Bocholt. Daar werden ze op zijn kosten gefrankeerd. De stukken die naar Rees moesten brachten ze persoonlijk naar het kamp.
Vanaf eind december 1944 zijn mannen het kamp Rees gevlucht. De eersten die wegliepen en zich meldden in Gendringen waren de heren Hoekman en Bos uit Apeldoorn. Ze kwamen aan bij de boerderij van de familie Venhorst. Hun ellende was aanleiding voor de broers Jan en Theo Venhorst om daarna, samen met anderen, een ondergrondse beweging op touw te zetten. Die maakte valse papieren, regelde schuiladressen en begeleidde de mannen totdat ze in Nederland waren. Zo zijn vele honderden mannen gered en afgevoerd naar Nederland.
De dagindeling van kamp Rees, was als volgt:
- Om 06.15 uur reveille. (eten als je nog eten had)
- Om 07.15 uur aantreden voor het appèl.
- Om 07.30 uur appèl.
- Om 07.45 uur afmars naar het werk (onder begeleiding van een Hundertschaftführer).
- Om 08.00 uur begin van de arbeid.
- Van 12.00 uur tot 13.00 uur rust.
- Van 13.00 uur tot 16.00 uur werken.
- Om 16.00 uur afmars, terug naar het kamp.
- Om 18.30 uur, afhalen van brood of soep.
Op 2 maart 1945 werd kamp Rees getroffen door een grote brand, waarbij 36 personen om het leven kwamen. De brand werd veroorzaakt toen iemand een brief schreef onder het licht van een brandende kaars en die per ongeluk omstootte. De dwangarbeiders zaten als ratten in de val omdat de enige toegangsdeur door de leidinggevenden gebarricadeerd was.
In het begin stierven er dagelijks in kamp Rees zeker twee tot drie mannen. Door de slechte behandeling werden dat er eind januari 1945 ongeveer negen per dag. In totaal zijn er 247 overledenen geregistreerd. Het werkelijke aantal moet meer dan 300 mannen zijn geweest.
Rees werd op 23 maart 1945 platgebombardeerd door Engelsen en Schotten van het 5e Bataljon Schotse Hooglanders (de Black Watch) en het bataljon van de Seaford Highlanders hebben het kamp bevrijd. Op 25 maart om twaalf uur ’s middags werden de nog aanwezige Duitsers gevangen genomen.
In Rees werd een tentenkamp ingericht met Nederlanders die in het kamp hadden gezeten. De meesten van hen zijn daarna overgebracht naar het plaatsje Kevelaer en na enkele dagen verder getransporteerd naar plaatsen in Nederland.
Voor vele tientallen mannen kwam de bevrijding te laat. Zij waren gestorven van de kou, uitputting, ziekte of slaag. Veel anderen kwamen ziek thuis, zowel lichamelijk als geestelijk, met alle gevolgen van dien
Voor een volledig overzicht of informatie lees het boek “de verzwegen deportatie”.










